Woordenlijst

- Ajahn: Leraar (Thai) – (Pāḷi: ācariya)

- Abhiññā: Bovennatuurlijke krachten (Pāḷi) – (Thai: apinihaan)
1. Iddhividhā: magische krachten; levitatie, bilocatie, op water en door muren heen kunnen lopen
2. Dibbasota: het hemels oor; gesprekken van mensen, goden, en dieren van grote afstanden kunnen waarnemen
3. Cetopariyañāṇa: het lezen van de gedachte van andere mensen/telepathie
4. Pubbenivāsānussati: het herinneren van vroegere bestaansvormen/vorige levens
5. Dibbacakkhu: het hemels oog; zien hoe de wezens sterven en weer geboren worden
6. Āsavakkhaya: de vernietiging van de mentale vergiften, met als gevolg het bereiken van arahantschap

- Arahant: Lett. ‘een nobele’; een monnik die verlichting heeft bereikt (kan ook verwijzen naar een tot volledig inzicht gekomen leerling van de Boeddha (Pāḷi)

- Āsava: Mentale vergiften; de basale tendensen die de geest van de mens vergiftigen, zoals zinnelijke begeerte, de bestaansdrift, het koesteren van opinies en onwetendheid,[1] waaruit de mentale bezoedelingen voortvloeien (Pāḷi) – zie ook: ‘Kilesa’

- Avijjā: Onwetendheid; de oergrond van al het lijden (Pāḷi)

- Bhikkhu: Boeddhistische monnik (Pāḷi)

- Bodhisatta: Een term dat verwijst naar de vorige levens van de Boeddha; een wezen dat streeft naar verlichting (Pāḷi) – (Sanskriet: bodhisattva)

- Brāhmaṇa: Brahmaan (Pāḷi) – (Thai: phram)

- Caṅkama: Loopmeditatie op een speciaal daar voor opgezet (recht) meditatiepad tussen twee duidelijk herkenbare punten met een afstand daartussen van ongeveer twintig tot dertig stappen in lengte zodat het niet nodig is de stappen te tellen (Pāḷi) – (Thai: jongrom)

- Citta: Geest (~ manas) / bewustzijn (~ viññāna) / staat van bewustzijn (Pāḷi)

- Dīghanikāya: De verzameling van lange leerredes uit de Pāḷi Canon (Pāḷi)

- Dhutaguṇa: Ascetische praktijken (Pāḷi) – zie ook: ‘Dhutaṅga’

- Dhutaṅga: (13) Ascetische praktijken (Pāḷi) – (Thai: tudong)
1. Paṃsukūlikaṅga: het dragen van gewaden van vodden
2. Tecīvarikaṅga: het gebruik/bezit van slechts 3 gewaden
3. Piṇḍapātikaṅga: het bedelen voor voedsel
4. Sapadānacārikaṅga: het langsgaan van alle huishoudens tijdens de bedelronde
5. Ekāsanikaṅga: het nuttigen van één maaltijd per dag voor de middag
6. Pattapiṇḍikaṅga: het nuttigen van de maaltijd enkel uit de bedelnap
7. Khalupacchābhattikaṅga: het weigeren van aangeboden hulp
8. Āraññikaṅga: het verblijven in een bos
9. Rakkhamūlikaṅga: het verblijven onder de voet van een boom
10. Abbhokāsikaṅga: het verblijven in de openlucht
11. Sosānikaṅga: het verblijven op een begraafplaats
12. Yathāsanthatikaṅga: het tevreden zijn met de aangeboden verblijfplaats
13. Nesajjikaṅga: het zittend slapen en het weerhouden om te gaan liggen

- Dhutaṅga Kammaṭṭhāna: Traditie binnen de Theravāda saṅgha (Pāḷi)

- Dukkha: Lijden/onbevredigendheid (Pāḷi)

- Iddhi: Paranormale vermogens (Pāḷi) – zie ook: ‘Abhiññā’

- Kappa: Eon/wereldcyclus (Pāḷi) – (Sanskriet: tijdperk)

- Kammaṭṭhāna: Meditatie/meditatieobjecten (Pāḷi) – zie ook ‘Samathā Kammaṭṭhāna’

- Kata: Heilige spreuk/formule/mantra (Thai) – (Sanskriet: ghātā)

- Kilesa: Mentale bezoedelingen (Pāḷi)

- Lakkhaṇa Mahāpurisa: De tweeëndertig kenmerken (van het lichaam) van een Groot Man[2] (Pāḷi)
1. Hij heeft voeten die plat neergezet worden
2. Hij heeft onder op zijn voetzolen een soort wielen met duizend spaken, in alle opzichten volledig
3. Hij heeft ver uitstekende hielen
4. Hij heeft lange vingers
5. Hij heeft zachte en tere handen en voeten
6. Hij heeft netachtige handen en voeten
7. Hij heeft voeten met duidelijke wreefbogen
8. Hij heeft benen als van een antiloop
9. Hij kan staande, zonder te bukken met beide handpalmen zijn knieën aanraken
10. Hij heeft schaamdelen die geborgen zijn in een schede
11. Hij heeft een glanzende huid, die straalt als goud
12. Hij heeft een delicate opperhuid, waardoor stof en vuil niet aan zijn lichaam blijven kleven
13. Hij heeft afzonderlijk geplaatste lichaamsharen: in ieder haarzakje groeit één haar
14. Hij heeft zijn lichaamsharen recht overeind staan, ze groeien recht omhoog, zijn blauwzwart
15. Hij heeft een kaarsrecht lichaam
16. Hij heeft zeven rondingen
17. De voorkant van zijn lichaam is als van een leeuw
18. De holte tussen zijn schouders is opgevuld
19. Hij heeft de proporties van een waringin; de spanwijdte van zijn armen is gelijk aan de lengte van zijn lichaam en andersom
20. Hij heeft een romp met gelijkmatige rondingen
21. Hij heeft een perfecte, hemelse smaakzin
22. Hij heeft kaken als van een leeuw
23. Hij heeft veertig tanden en kiezen
24. Hij heeft regelmatige tanden
25. Hij heeft geen spleten tussen de tanden
26. Zijn hoektanden zijn helder wit
27. Zijn tong is zeer lang
28. Hij heeft een hemels stemgeluid, als van een karavīkavogel
29. Zijn ogen zijn helder blauw
30. Zijn wimpers zijn rondom even lang, als bij een koe
31. Er groeit wollig haar tussen zijn wenkbrauwen
32. Zijn hoofd heeft de vorm van een tulband

- Magga: Het pad naar verlichting (Pāḷi)

- Metteyya: Een bodhisatta die de toekomstige Boeddha zal worden (Pāḷi) – (Sanskriet: Maitreya)

- Milindapañha: De vragen (over het boeddhisme) van (de Griekse) Koning Menander aan de monnik

- Nāgasena:
een Pāḷi tekst geschreven omstreeks de eerste of tweede eeuw van onze jaartelling (Pāḷi)

- Mokkha: Verlossing (Pāḷi)

- Nibbāna: Verlichting/ontwaken/uitdoving (Pāḷi) – (Sanskriet: nirvāṇa)

- Nikāya: Orde/gemeenschap/groep (Pāḷi) – (Thai: nikaai)

- Nissaya: De vier middelen van bestaan waar een monnik zich op verlaat (Pāḷi) – (Sanskriet: niśraya);
1. Piṇḍapātikaṅga: het bedelen voor voedsel
2. Paṃsukūlikaṅga: het dragen van gewaden van vodden
3. Rakkhamūlikaṅga: het verblijven onder de voet van een boom
4. Pūtimuttabhesajja: het gebruiken van enkel koeienurine als medicijn

- Paccekabuddha: Iemand die, zonder leraar, zelf ontwaakt is en de leer niet aan anderen zal verkondigen (Pāḷi)

- Parinibbāna: Het fysieke overlijden van de Boeddha; het geheel opgaan in nibbāna zonder wedergeboorte (Pāḷi)

- Phala: De vruchten/resultaten van handelingen (Pāḷi)

- Phra: Afhankelijk van de context: ‘eerwaarde’, ‘heilige’ (Thai)

- Phram: Brahmaan (Thai) – (Pāḷi: brāhmaṇa)

- Ruesi: Asceet/kluizenaar/ziener (Thai) (Sanskriet: ṛṣi)

- Saiyasaat: Mystieke krachten (Thai) – (Sanskriet: saiyasāstra)

- Sak Yant: Heilige (boeddhistische) tatoeages (Thai: sak: tatoeëren; yant: geometrische vorm – (Sanskriet: yantra) in het Thai schrijft men vaak de letter ‘R’ nog wel aan het einde van het woord ‘yant’, maar deze blijft onuitgesproken

- Samathā Kammaṭṭhāna: (40) Meditatieobjecten zoals vermeldt in de Visuddhimagga
– (Pāḷi: samathakammaṭṭhānaṃ)
1-10. Gasīna: visuele meditatieobjecten (de 4 elementen, 4 kleuren, ruimte, en fel licht)
11-20. Asubhā: afkeer van het menselijk lichaam (in 10 stadia van ontbinding)
21-30.Anussatī:contemplaties:3 Juwelen,3 deugden,lichaam,dood,ademhaling, nibbāna
31-38. Jhāna: 8 meditatiestadia (4 vormhebbend, en 4 vormloos)
39. Āhārepaṭikūlasaññā: walging van voedsel
40. Catudhātuvavatthāna: analyse van de 4 elementen (aarde, water, vuur, lucht/ruimte)

- Sammāsambuddha: Titel voor de Boeddha; lett. ‘de Opperontwaakte’ (Pāḷi)

- Saṅgha: Boeddhistische gemeenschap van monniken (Pāḷi)

- Sīla: Morele gedragsregels; 5 voor huishouders; 8 voor lekenvolgelingen; 10 voor novicen (Pāḷi)
1. Het voornemen zich te onthouden van het nemen van leven
2. Het voornemen zich te onthouden van het nemen wat niet gegeven is
3. Het voornemen zich te onthouden van seksueel wangedrag
4. Het voornemen zich te onthouden van het spreken van ontwaarheden
5. Het voornemen zich te onthouden van geestbenevelende middelen
6. Het voornemen zich te onthouden van eten op ongepaste tijden (na 12:00 uur)
7. Het voornemen zich te onthouden van zingen, dansen, instrumenten bespelen, en het bezoeken van optredens/voorstellingen
8. Het voornemen zich te onthouden van het gebruik van cosmetica en sieraden
9. Het voornemen zich te onthouden van het zitten op hoge stoelen en het slapen op luxueuze (zachte) bedden
10. Het voornemen zich te onthouden van het aannemen van geld

- Somdej: Een door de koning toegewezen titel voor een hooggeleerde monnik ten dienste van het koninklijk huis (Thai)

- Stūpa: Religieus monument in de vorm van een koepel waarin relieken van
de Boeddha of overige heiligen worden bewaard (Sanskriet) – (Pāḷi:
cetiya) – (Thai: chedi)

- Sūtra: Boeddhistische tekst (Sanskriet) – (Pāḷi: sutta)

- Tipiṭaka: Teksten in de Pāḷi Canon (Pāḷi) – (Thai: trai pidok)

- Tudong Kammathan: Traditie binnen de Theravāda saṅgha in Thailand (Thai)

- Upāsaka: (Mannelijke) lekenvolgeling (binnen het klooster) (Pāḷi)

- Upāsikā: (Vrouwelijke) lekenvolgeling (binnen het klooster) (Pāḷi)

- Vimuttimagga: ‘The path of freedom’; een Pāḷi werk geschreven door Upatissa omstreeks de eerste of tweede eeuw van onze jaartelling (Pāḷi)

- Vinayapiṭaka: De boeddhistische (klooster) discipline/doctrine; het eerste deel van de drie delen van de tipiṭaka (Pāḷi)

- Vipassanā: Inzichtmeditatie (Pāḷi) – (Thai: wipatsana)

- Visuddhimagga: ‘The path of purification’; een commentaar geschreven door Buddhaghosa omstreeks het jaar 430, en wordt beschouwd als één van de belangrijkste teksten buiten de Tipiṭaka (Pāḷi)

- Wat: Tempel (Thai)

- Winaai: De boeddhistische (klooster) discipline/doctrine (Thai) – (Pāḷi: vinaya)









Voetnoten:

[1] Janssen & de Breet, 2002: 335 n.15.

[2] Janssen & de Breet, 2001: 636-637.